Een Maandagavond, 1976.
Het is al laat. Vanwege het ontbreken van telefoon bij ons kan ik het thuisfront niet bereiken.
Als jonge, onervaren vrijwilligster laat je een dronken, suïcidale cliënte niet zomaar alleen. Ten einde raad vraag ik een buurvrouw de dokter te waarschuwen. Omstreeks middernacht fiets ik eindelijk naar huis. Plotseling zie ik iemand bij een straatlantaarn staan. Trenchcoat, hoed, grimmig gezicht door licht-en schaduwspel. Net als ik voorbijfiets roept de engerd iets. Ik schrik me wezenloos. Met het hart in de keel sprint ik ervandoor. Ik kijk snel even achterom. Oh jee, de man komt me achterna! Pas als hij naast me fietst blijkt de engerd mijn eigen man te zijn. Doodongerust heeft mijn ‘Sherlock Holmes’ mij opgespoord.


Herkenbaar.
hahaha… leuk, fijn dat je zo’n speurder bezit. Ik vind het gedeelte tussen haakjes niet zo fraai. Verder erg leuk!
@Irma Moekestorm
Dank voor je reactie.
Wat tussenhaakjes staat kon ik anders niet in 120 w kwijt, destijds hadden wij geen telefoon, dat moest er wel in, anders zou het verhaal niet logisch zijn.
@Irma Moekestorm.
Tussen haakjes…
nog even gepuzzeld, en een oplossing gevonden 😉
Goed geschreven, want ik hield echt even mijn adem in en toen: ah, het is je man maar.
Ik twijfel bij “voorbij fiets” en “er vandoor”. Ik schrijf het liefst alles aan elkaar.
@Lousjekoesje
Dank voor je reactie en opmerking.
Inderdaad, voorbijfietsen en ervandoorgaan 😉
@Gerda, ja, zo is het veel beter. Meer in het geheel!
Heel leuk geschreven Gerda. Goed spannend!
@Inge Hulsker
Dank je.