Ik vond het eng. Waar mijn klasgenootjes genoten van de ijspret, zocht ik manieren om er onderuit te komen. Zo had ik nét mijn enkel verzwikt, en liep ter bewijs dagenlang met een sleep-been. Of – sterker nog – ik mocht het ijs niet op van de dokter, omdat ik zovaak blaasontsteking had. Dat laatste was waar, maar het ijs was daarvan vast niet de oorzaak. Jaren later kreeg ik spijt, toen ik mijn eigen kinderen zag rondzwieren. Heel voorzichtig ben ik het gaan proberen. Het ging best goed, vond ikzelf. Totdat ik achter me hoorde zeggen: “Komt ze uit Joegoslavie of zo? Wat enig dat ze die mensen het ijs opsturen met zo’n integratieklasje!” Ik heb nooit meer geschaatst.

Domme mensen, niet iedereen heeft last van die schaatsgekte, ik ook niet. Leuk 120verhaaltje.
@Lisette; kun je nog twee woorden toevoegen, dan heb je er 120 en doe je officieel mee met de schaatswedstrijd..
Als je van ‘zovaak’ ‘zo vaak’ maakt, hoef je nog 1 woord te sprokkelen. Mooie column. Ik zie het zo voor me.
@Lisette “Ikzelf” kan ook als twee woorden geschreven worden en hup, het zijn er 120.
Het is een leuk verhaal, echter, dat het met “ik” begint is minder leuk. Je zou er “Oh” of “O ” voor kunnen zetten.
Of “Eng vond ik het.” Dan heb je een krachtigere beginzin.