Zijn gerafelde lot hangt aan zijn arm. Een manchetknoopje van zijn overhemd ontbreekt, evenals een hoektand. Hij laat de rieten mand van zijn arm glijden en tuurt naar een lange boodschappenlijst.
‘Mag ik uw ogen even lenen, meneer. Wat staat hier?’
‘Vermicelli.’
‘Alweer soep,’ zegt hij alsof ik dat op mijn geweten heb. ‘En hier?’
‘Tomaten.’
‘Daar krijg ik pijn in mijn pens van – morgen is ze jarig. De familie met wie ze geen ruzie heeft, past met gemak op de driezitsbank. Maar de meesten zijn al zo lang dood dat ze haast alweer terugkomen. De soep wordt opgeslurpt, herinneringen aan die goeie ouwe dooien opgehaald.’
‘Vergeet dit niet.’
‘Wat?’
‘Jenever, staat hier.’
‘Wat is het toch een lekker mokkeltje.’


Recente reacties