Daar staat de natuur in al hare kaalheid voor ons.
Leeg zijn velden en akkers, doodsch en verlaten de bosschen. Een
gevoel van meewarigheid vervult mij, wanneer ik zoo mijne blikken
over ’t geschapene laat dwalen. Vriendelijk snort
de kachel in mijne nabijheid, die de fraai gelijnde ijsbloemen van mijn
vensterruiten verjaagt, Alsof evenwel een geest van nijdigheid haar
bezielt, verdwijnen zij niet geheel, maar laten de omtrekken nog zien,
om straks, wanneer den zon, haar tweede vijand, zich terugtrekt, zich
opnieuwe in al hare pracht te tooien.
Voor mijne oogen staat daar in volle winterpracht een lindeboom,
waaruit zoo menigmaal de boschduif haar weemoedig geroep mij in de
ooren drong. Als verlaten staat hij aldaar met zijne beijsde takken.

Deze mijmering is uit 1879 en is geschreven door mijn verre voorvader. Het stuk zal gebruikt worden in het te verschijnen boek over 150 jaar rozenkweken door mijn familie in juli 2025.