‘Wil je eten?’ vraagt de Indischman. Hij draait een Javaanse Jongen. Een mager mannetje met opvallend kromme benen: in Indonesië is hij jockey geweest. ‘Fijn dat je Hans komt halen.’
Uit de keuken komt een kruidengeur. ‘Wil je eten?’ vraagt ook zijn vrouw. Ze komt nauwelijks boven de wadjang op het fornuis uit.
‘Nee dank u, ik heb net gegeten.’ De flauwe andijvie heb ik net achter de kiezen.
Een gezin dat ‘senang’ lijkt te hebben uitgevonden.
Hans zit achter op mijn fiets, op weg naar de voetbaltraining. Met wind in de rug ruik ik kruiden.
Na jaren groet ik een mager mannetje met een rood-witte stok. Tot mijn verbazing noemt hij meteen mijn naam.
‘Natuurlijk, ik herken je stem.’


Mee eten. Leuk onderwerp, soms is de gastvrijheid ver te zoeken. Het klopt dat je een stem jaren later nog kunt herkennen. Ik heb er zelf ook voorbeelden van.
Luc, bij deze familie en cultuur was dat heel normaal. Aardige mensen vooral.
En we noemen hem Hans…
Lousjekoesje, zo heette hij nu eenmaal.
Ontroerend. En ja, herkenbaar. Altijd mee mogen eten en die geur van de kruiden.
Levja. Zelden heb ik zulke bescheiden, innemende mensen meegemaakt.
En blijkbaar met echte aandacht voor de ander. Hopelijk is het besmettelijk.
Alice, ik hoop het ook.