Werkstukken, essays, stageverslagen en scripties sierden mijn studietijd. Noodzakelijk, maar niet bedoeld om de kunst van het schrijven te beoefenen.
Een echt dieptepunt waren de teksten van mijn subsidieverzoeken, projectaanvragen en verslagen. Ooit omschreef iemand mijn schrijfstijl als ‘prikkeldraad-proza’, Dat krenkte me enorm. Waar was mijn taalliefde gebleven?
Toen ik bevrijd was van het keurslijf van een betaalde baan, kwam ik terug bij het schrijven als creatieve kunst.
Tegenwoordig mag ik me elke week richten op een kort verhaaltje, dat een vooraf gekozen woord moet bevatten.
Meer dan dat heb ik niet nodig.
Kees van Kooten verwoordde het onlangs alsvolgt: “Ik moet het hebben van de korte impressie, de oprechte ontroering.”
Van harde letters naar zachte woorden dus.
Punt uit.

Er zijn weinig, tot geen stukken van jouw hand waar ik niets aan vind, Lisette, dus ga er maar gewoon meer door. Grt
@Luc: dankjewel voor je compliment!
Prikkeldraad-proza… hoeft helemaal niet negatief te zijn…
Wacht, ik probeer het in 120 woorden.