‘Ik zei niets, deed niets en keek alleen maar naar mijn straatje totdat jij over me heen stapte en ik, nou ja… een ander straatje zag.’
‘Daar heb ik dus helemaal een pokkenhekel aan, van die muisstille vieze gluurders.’
‘Vieze gluurder? Ik keek meteen weer naar de grond.’
‘Het is intimiderend als een man op die manier naar je kijkt.’
‘Je bent nogal aantrekkelijk…’
‘Nou ja, wat mankeert er aan mij?’
‘Je hebt ballonkuiten.’
‘En mijn borsten?’
‘Welke borsten?’
‘O, daar kijkt meneer natuurlijk niet naar.’
‘Nee, die kan ik van onderaf tocht niet zien? Au, je doet me pijn met je nagels. Wil je nu eindelijk je hand uit mijn stratenmakersdecolleté halen? Dan kan ik dit straatje even afmaken.’


Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Een lekker stout stukje. Een man die ballonkuiten aantrekkelijk vindt …
Toevallig las ik vandaag een column die ging over de onaantrekkelijkheid van een stratenmakers decolleté.
Eerlijk gezegd kende ik alleen het bouwvakkersdecolleté, dus wat dat betreft toch weer wat opgestoken. Grt.
Luc. Klopt. Zie dit als een variant.
Je was me voor, Han. Ik wilde net aan Luc schrijven dat het bouwvakkersdecolleté een (verzamel) begrip is. En dat als enige voorkomt in Het Groene Boekje. In de beschrijving worden ook tapijtleggers en stratenmakers genoemd. In dit stukje ‘Straatje’ vind ik het heel speels gevonden.
Levja. Nee, dat vindt hij juist niet aantrekkelijk. Hij reageert op: ‘Nou ja, wat mankeert er aan mij?’
‘Je hebt ballonkuiten.’
Bedoel je dan sarcastisch: ‘Je bent nogal aantrekkelijk…’
Aha, ik begin nu de eerste zin te begrijpen vanwege het einde. Verwarrend. Of het is nog vroeg 😉
Levja. ‘Nou ja, wat mankeert er aan mij?’ zegt denk ik genoeg. Duidt op een teleurstelling.
Soms ben ik te romantisch, Han. Ik las het eerst (te) rooskleurig. Wellicht wat ik wilde lezen 😉
Het is tegenwoordig meer in zwang om mensen buiten te vertellen dat ze lelijk zijn dan mooi. Ik vind dat best jammer!
Levja. Dat is zeker jammer. Waarom zou je iemand willen beschadigen?