De laagstaande avondzon is nog niet van plan onder te gaan. Ik frons mijn wenkbrauwen, knijp met mijn ogen, want van ergens tegenaan lopen word je niet vrolijk. Een lange wenkbrauwhaar raakt mijn ooglid. Ik zie hem weer voor me: hij had wenkbrauwen waar je krulspelden in kon zetten. ‘Wees vriendelijk maar niet té, jongen.’ Ik neem het me die avond voor, na een nare ervaring eerder op de dag. Maar kun je wel in je eigen schaduw staan?
Ik kijk naar een kat in een boom. Als ik doorloop komt hij achter me aan, maar op een smal pad met een grote hond maakt hij rare sprongen. In het inmiddels donkere park knijp ik ‘m toch wel een beetje.


Recente reacties