We woonden een paar jaar samen. Eerst leefden we in een studentenflat. Daarna groeiden we door naar een gewone flat, in een buurt waar vooral oud-studenten woonden. Een heerlijke tijd.
Ik studeerde af als psychologe, een vak dat in de jaren tachtig geen enkel perspectief bood op een betaalde baan. Hij ging werken in de universitaire landbouw-wereld, waar banen voor het opscheppen lagen.
Met zijn inkomen verdween mijn recht op een werkloosheidsuitkering: we werden voordeurdelers. De Sociale Dienst controleerde streng op het aantal tandenborstels op het fonteinplankje.
Het was alsof ik geen recht op een eigen bestaan had. Dus verhuisden we apart naar de grote stad in de buurt. Leve de anonimiteit. Ik voelde me vrij met een eigen voordeur.

Sterk stukje, Lisette. Het fenomeen voordeurdeler perfect verwoord. Het begrip stamt inderdaad uit de jaren tachtig, tegenwoordig hanteert men andere termen.
De twee eerste zinnen met ‘we’ beginnen is niet echt fraai, maar inhoudelijk verder prima.
@Ewald: dank voor het begrip én de e taalkundige tip!
Lisette, mooi stuk maar wat denigrerend richting de man. Een andere omschrijving van “hij”? (vriendlief, manlief). Grt
@Luc: dat had ik zelf niet in de gaten, maar aan titel van m’n stukje kun je misschien zien hoe het tussen ons is afgelopen..
Lisette: goed zoals je de tijdgeest en maatschappelijke veranderingen hebt beschreven. De relatie man-vrouw in maatschappelijke/politieke zin blijft immer een issue. Lang leve je eigen voordeur zeg ik maar, zolang je zelf kiest met wie je ‘m deelt.
@Berdien: ik dacht van de week ineens weer aan de poster die in die tijd ‘heilig’ voor me was: “Omdat ieder mens er één is, en niet de helft van een stel!” Dieppaars was tien, en hing trots op mijn (eigen)deur