‘Hoe is het met uw kalknagels, meneer Mulder?’
‘Geweldig, zuster.’
‘Ik zei het u toch: een wondermiddel. Ja, dat gaat goed, de schimmel verdwijnt al. Ik pak nog even het penseeltje.’
‘En u, meneer Van Achteren?’
‘Van Vooren is de naam, zuster.’
‘Neemt u mij niet kwalijk…’
‘Ik kan alweer zitten, zuster!’
‘Wat fijn voor u. Doet u de broek maar naar beneden, dan zullen we die ellendelingen even te pakken nemen met ons penseeltje.’
‘Meneer Kok. Hoe is het met u? Doe de mond maar wijd open. Ja… dat gaat ook goed, zeg. Wat zegt u? Ik kan u niet verstaan, kunt u wat harder praten? Heeft u pijn? Nee, wat wilt u dan? Wat? O, een eigen penseeltje…’


Eerlijk gezegd zag ik hem al een beetje aankomen, Han.
Het eerste vraagteken had ik anders geplaatst:
Wat zegt u, ik kan u niet verstaan? Kunt u wat harder praten?
Wat zegt u? Ik kan u niet verstaan, kunt u wat harder praten?
Ewald. Tjonge, ik heb er een rotzooitje van gemaakt. Dank je.
Zal met de temperatuur te maken hebben, Han. Zijn we niet gewend in september.
Te hard hardgelopen, denk ik.