De eerste keer zweette hij peentjes. Maar de kartelbaas had niets gemerkt. Dacht hij.
Gaandeweg kreeg hij er steeds meer handigheid in om kleine partijen achterover te drukken. Viel niet op. Dacht hij.
De baas was met zijn hoofd bij zijn minnaressen. Dacht hij.
Bovendien hadden ze samen de universiteit van dood en verderf doorlopen. Dat schiep vertrouwen. Dacht hij.
Maar de baas werd niet voor niets ‘El águila’ genoemd, ‘De arend.’
Op een kwade dag keek ‘El águila’ hem slechts één seconde recht in de ogen en hij besefte dat hij aan de rand van de afgrond stond.
Ze vonden hem als een Ahitofel, bungelend aan een balk in de paardenstallen.
Hij had zichzelf tenminste de gruwelijkste martelingen bespaard.

Recente reacties