‘Weet u wat het is meneer, alles verdwijnt en niemand weet meer dan dat ze zelf willen geloven.
Op de brug stond vroeger een haringkar. Geen koeling. “Vijf voor een kwartje. Ik maak ze schoon en mijn vrouw trekt ze af.” Een Jood, als je dat nog mag zeggen; hij was het nu eenmaal. En opeens is zo iemand dan weg hè. Een viskraam kwam er voor in de plaats. Het stonk daar en de haring was niet meer zoals uit dat oude karretje van die Jood; haring die niet was ingevroren: groene haring. Maar door de haringworm mocht dat niet meer. Nee, de mensen kunnen tegenwoordig niets meer hebben. Wist u dat aan de staart de lekkerste smaak zit?’


Gedeeltelijk non-fictie.