Chrisje reageert wat verbaasd en stottert wat voor zich uit.
‘Wie… wie… ben jij? Waa… waa… rom… spr… spr… spring… jij… in… in… mijn… mijn… nek?’
Verderop in het bos zoekt mamma in paniek naar haar Chrisje. Ze roept luid haar naam en stelt hardop vragen. Aan Chrisje, maar eigenlijk diep van binnen ook aan zichzelf.
‘Chrisje… Chrisje… waar zit je? Je verstopt je toch niet voor mij, hè? Dat vindt mamma niet leuk hoor? Mamma is niet boos hoor? Mamma houdt van jou.’
De paniek op het gezicht van mamma verandert langzaam in teleurstelling. Totdat ze op de grond een broodkruimels aantreft. Aan de korstjes kleeft sesamzaad. Maar dat is het brood van haar Chrisje. Dat kan niet missen.

Mmm … twee keer ‘wat’ in eerste zin. Had beter gekund. Te laat gezien.