Als ik je vooruit duw, zet je je schreeuwend schrap.
Als jij aan mijn arm en leven trekt, ruk ik me ervan los.
Elkaar ontmoeten eindigt steevast in twee stampvoetende richtingen.
Een goed moment bestaat uit liefdevol zoenen, gevolgd door protesterend luisteren en een luidkeelse finale.
Als we maar geduldiger met elkaar waren, en er meer tijd zat tussen begin en eind.
Hunkerend naar je liefde keer ik telkens naar je terug.
Je komt en gaat, ik ga en kom, we draaien rondjes om elkaar heen als een lemniscaat om een zwart gat.
Zolang je er bent, leef ik. Bang voor leegte, voor de vernietigende eenzaamheid van mijn eigen echo.
‘Hou van me’, zeg je, smeek je.
Steeds maar weer.

Recente reacties