‘Dus u erkent dat u tegen twee geboden gezondigd heb?’
Ik zat aan het hoofdeinde van een lange, enigzins ovale tafel. Recht tegenover me zat de dominee, die me de vraag stelde. Als voorzitter van het kerkbestuur zat hij in een hoge rechte stoel, de ouderlingen en diakenen rechts en links zaten in met leer beklede stoelen.
Ik knikte ‘ja’.
‘Graag wel uw hoorbaar antwoord.’ Het klonk stevig maar de vriendelijke lach maakte zijn woorden goed.
‘Wacht even,’ klonk het links van me.
Heeft deze man niet tegen meer geboden gezondigd. Moet hij daar ook geen schuldbelijdenis voor doen?’
Nu veerde de dominee op, zijn ogen vlamden. Nooit zal ik vergeten hoe hij in enkele woorden naast me ging staan.


@Arjan: dit klinkt naar een vervolgverhaal…. En een zeer uitvergrote biechtstoel
@Lisette: dank je wel. Best een uitdaging hier een vervolgverhaal van maken. Hoe werkt dat hier ook al weer? Steeds het weekwoord noemen of alleen de eerste keer en de rest loslaten?
@Arjan: ik heb het ook wel eens gedaan, meer een soort vierluik over mijn geliefde Schiermonnikoog. Toen heb ik het weekwoord steeds verwerkt in het stukje voor doe week. Dat was erg leuk om te doen.
Schuld en boete die niet ophoudt. Ik ben benieuwd Arjan.