Moeizaam wring ik mijn fiets tussen andere door in het rek bij het buurthuis in Amsterdam-Noord. Is er plaats?
Op een balkon waarvandaan het terrein te overzien is verschijnt een vrouw, ze kijkt naar mij en roept: “Hee, wat moet dat daar met die fiets?”
“Ach mens, ga kijken naar Dalles,” zeg ik vriendelijk terug, want waar bemoeit ze zich mee.
Als ik het buurthuis binnenloop zie ik mensen met fietsen schuiven. “Hee, André, zet je fiets maar binnen, we hebben een telefoontje gekregen dat er een fietsendief in de buurt is.”
“Die fietsendief ben ik,” kan ik terugzeggen. “Weet je het zeker?” is de vraag hierop.
Ach, die samenleving waarin men op elkaar let. Mienskip en Naoberschap, in 1983.


Het is me niet helemaal duidelijk, al heb je de scène duidelijk beschreven. Is de hp hier de fietsendief of zegt hij dat, gewoon omdat het kan? En houdt hij de mensen in het buurthuis juist voor de gek, terwijl zij naar hem omkijken?
(Het beste met elkaar voor hebben en het voor elkaar zorgen gebeurt nu -in de buurt waarin ik woon- gelukkig ook nog.)
Er was geen fietsendief, slechts iemand die zijn fiets stalde, ik. Is dat onduidelijk?
Voor mij was dat niet meteen duidelijk, nu ik het opnieuw lees denk ik dat de buurvrouw die de hp aansprak meteen ook het buurthuis heeft gebeld. Ze is een aanpakker!