Voorheen keek ik wel eens over mijn schouder, en zei ik iets voor wat interactie met mijn omgeving.
De daad van het spreken veranderde allengs in de stilte van het denken. Zien werd nietsziend zijn.
Mijn ogen volgen alleen nog maar de richting van de gedachte. Meer en meer ijver ik dat ene kleine detail te vinden dat alles verklaren zal. Het is er, dat weet ik zeker, het oog van de storm waar rust en waarheid en het begin van alles is.
Nee, dit is geen obsessie. Ik wil er gewoon heen. Meer wil ik niet.
Mijn schouders buigen voorover. Mijn hoofd maakt de ronding af. Eindelijk zie ik het.
Ik staar naar mijn navel. Daar ben ik begonnen.

‘Zien werd nietsziend zijn’: mooi gezegd. Ik vind deze navelstaring wel betekenisvol. Waar komen vandaag, en gaan we daar ook weer heen?