Na bezuinigingen stond ik als geheimagent plotseling weer op de arbeidsmarkt. Tegenstanders legde ik in een handomdraai om, veelpraters bracht ik tot zwijgen en met wat kleine aanwijzingen wist ik iedereen mijn richting op te dirigeren. Daardoor leek het onderwijs me passend. Alleen het feit dat ik Mario El Cobarde nooit te pakken kreeg zat me dwars.
‘Fijn dat je hier komt,’ zei de duo-leerkracht van groep 7b.
‘Ik ben benieuwd,’ zei ik.
‘Ach het is tijdelijk,’ vervolgde ze, ‘door het lerarentekort stellen we geen hoge eisen aan een invalkracht.’
Het klonk niet eens als een belediging.
‘De directeur wil je nog spreken. Daar is zijn kamer.’
Ik opende de deur.
‘Hallo agent Hadeke,’ begroette Mario me met een lach.


Knap geschreven. Vaak herken ik een ‘hadeke’ direct als een ‘hadeke.’ Ik was dit stukje gaan lezen zonder de naam van de schrijver te hebben gezien. In de laatste zin werd ik volkomen verrast.