‘Vandaag mag u me naar huis brengen.’
Ik ben met mijn vriendje vanuit de zandbak naar het hek gelopen. De moeder van mijn vriendje kijkt niet eens verbaasd. Ik doe het vaker. Bij verschillende moeders.
‘Prima. Stap maar in de auto.’
Als het even kan loop ik niet alleen naar huis. Veel te ver.
In de auto vertel ik wat we hebben gedaan. Eerst de kring natuurlijk. En we hebben geknutseld. Ik praat de hele rit tot aan thuis vol.
‘Dankuwel mevrouw. Tot morgen Arnoudt!’
Ik loop achterom. De deur is open. Geen sleutel nodig. De achterdeur is altijd open. Snel pak ik wat lekkers. Straks zullen mijn broer en zus thuiskomen.
Vandaag komt mama niet zo heel laat thuis


@Hadeke: wat een origineel perspectief weer.