Vader en zoon liepen zwijgend door de akker. Aan hun laarzen kleefde zompige klei. Ze hadden samen aardappelen gerooid van de vroege morgen tot in de namiddag. De avond viel, de lucht kleurde langzaam rood. Bij de sloot hielden ze stil en staken een sigaret op.
De zoon doorbrak de stilte: ‘Pa, ik kan het niet.’
‘Natuurlijk kun je het, jongen.’
‘Ik wil het ook niet.’
‘Hoe moet het verder, als ik geen opvolger heb?’
‘Ik weet het niet. Ik wil medicijnen studeren in Leiden.’
Ze keerden terug naar de boerderij. De boerenkool met worst dampte op tafel. Zonder woorden vulden ze hun maag. De zoon keek naar zijn vader, onder het lamplicht leken de groeven in zijn gezicht dieper.


Daar snij je een dilemma aan, waarvoor veel boeren hebben gestaan. Zo zijn veel kleine boerderijen noodgedwongen verdwenen en heeft dit bijgedragen aan het ontstaan van de huidige megabedrijven.
De keuze van de zoon uit dit stukje is echter geheel begrijpelijk.
Gloveticol oogzalf is zowel voor koeien als ook voor mensen identiek. Enkel het prijskaartje is wat anders. Voor de koe kost het niet zo veel voor de mens wordt een redelijke hoofdprijs gerekend. Dat leert de zoon vast nog wel in Leiden.
Hij is mooi Nel. Dat zwijgende eindbeeld vind ik perfect passen bij een boer en zoon.
Ja, zo ging dat. Knap verwoord.
Ewald, inderdaad een schrijnend dilemma.
Rop, er zal een wereld opengaan voor die zoon in Leiden.
Dank je wel, Inge, precies zoals ik het bedoelde.
Tiny, dank voor je reactie.