Er wordt aangebeld en ik doe de deur open. Voor me staat een klein mannetje. Hij vraagt aan mij of ik een kleine bijdrage heb voor de taal. De taal? Welke taal? De Nederlandse! Alsof dat vanzelfsprekend is. Ik vraag waarom hij een bijdrage wil voor de Nederlandse taal en wat hij met mijn bijdrage wil doen.
Dat hangt van mijn donatie af. Hoezo? Nou met een kleine bijdrage, zeg tien euro, los ik het probleem nauwelijks op. Een druppel op een gloeiende plaat. Maar met honderd euro kan hij wellicht de eerste stappen zetten om de Nederlandse taal weer wat rijker te maken. Ik vraag voor welke doelgroep? Jongeren tussen tien en vijftien jaar. Dat is prima. Ik doneer.

Leuk gevonden, Mien. Je mag het volgende keer ook aan mij overmaken; weet je zeker dat het goed terechtkomt.
Ik vrees dat je buiten de doelgroep valt.
Tenzij je tussen 10 en 15 jaar oud bent. Maar ik schat je wat ouder in. ?
Beste Mien, als pleitbezorger van de Nederlandstalige literatuur word ik regelmatig geïnterviewd voor deze of gene schoolkrant. Voor de 13- en 14-jarige redacteurtjes koop ik roze koeken, speculaasjes, Fristi, Fanta en Chocomel. Dit loopt aardig in de papieren.
Bedenk daarnaast dat ik regelmatig jouw naam noem. ‘Jullie zouden Mien eens moeten lezen.’ Vervolgens lees ik ze vaak voor uit ‘Lost.’ Met rode koontjes en betraande ogen van ontroering keren ze huiswaarts.
Enfin, zullen we dit achter de schermen verder afhandelen?’
Gaan we nu ook nog verstoppertje spelen?
Ik kies liever voor zakdoekje leggen.
Handdoek in de ring kan ook.