‘Toffe plek, vind je niet?’
Ik heb me mooi aangekleed, niet formeel, wel uitdagend. Strak en zwart. Klaar voor de volgende stap. We zien elkaar al weken.
‘Ja, zeker. Bijzonder.’
‘Mijn vader is de kwekerij twintig jaar geleden begonnen. Palmen, vijgen en dat gewoon in de Nederlandse grond.’
Zijn schitterende ogen dwalen door de kas, zijn goddelijke lichaam draait in het rond.
‘Moet je kijken.’
Ik grijp een vijgenblad. Zijn ogen volgen mijn bewegingen. Langs mijn borsten, langs mijn navel, naar mijn kruis. Er is niemand binnen. Het is warm en de grond is zacht.
‘Ik ben Eva,’ zeg ik uitdagend, ‘schaam je niet.’
‘Wist je dat deze vijgenbomen zich maagdelijk voortplanten?’ reageert hij.
Teleurgesteld laat ik het blad vallen.


Haha, leuk Hadeke 😉
Heel vernuft. De tweede zin ontgaat mij echter.
Dank @Inge en @Levja
Ik heb de tweede zin iets aangepast, is het zo wat duidelijker?
Ja en nee, Hadeke. Ik snap waar je heen wilt, de weg ernaartoe vind ik vreemd. Dit kan geheel aan mij liggen. Dit vind ik een mooie zin: ‘Zijn schitterende ogen dwalen door de kas, zijn goddelijke lichaam draait in het rond.’ Ook deze zin maakt mij in de war. Mooi ogen en kas. Bedoel je met goddelijke lichaam in het rond draaiend hemel en aarde? Ik houd van mysterieuze stukjes, in dit stukje ontgaat het me wellicht. Sorry.