De machine hortte en stootte. De vuile borden en kopjes bibberden verder naar rechts en de aangebroken pakken frisdrank en koek schoven stukje bij beetje naar links. Het lege wijnglas balanceerde op de rand van het aanrecht. Ze had Hans vorige week gevraagd de vaatwasser waterpas te zetten.
Marianne zat aan tafel en keek lusteloos over de afvalberg door het matglazen keukenraam. Gebroken zonnestralen konden de weg naar binnen moeilijk vinden.
Ze wilde wel, maar de zwaartekracht was haar vandaag opnieuw te machtig.
Ze verlangde naar hem. Haar lieverd, houvast in deze wiebelige wereld, waarin zij moeite had mensen te vertrouwen. Hans was anders. Ze vertrouwde hem “tot de hemel en weer terug”, zoals ze telkens zei.
Het glas viel.


Een rood hartje, zonder barsten, voor Marianne.
Dank je wel, ik geef het met liefde aan haar door.
Een wankel evenwicht!