Was hij nou zo kachel? Arie deed een stap naar voren. Glas brak onder zijn trillende poten. Het geluid weerkaatste in de donkere verlaten hal van het natuurmuseum, Kees z’n toko. Hier zou Arie zijn poen krijgen voor die klapper, was afgesproken. Hij zag geen moer meer. Takkezooi. Doodstil was het. Hij rook drank, zijn eigen neut die hij had laten vallen. Hij tuurde in het duister. Een kleverige rode plas mengde zich met de jonge klare. Z’n tikker sloeg over. Kolere! Had hij hem dan zo’n hengst verkocht? Hij knipte zijn zaklamp aan. Voor hem hing Kees, in z’n nette kloffie, z’n luiken wijd open. De enorme bijters van dat museumbeest hadden hem doorboord, zijn maat Kees, de Knokenpief.

Recente reacties