Verbijsterd keek ik naar de plek waar mijn huis vanochtend nog had gestaan. Weg.
“Pardon meneer.” Een Zborghiaan sprak me aan, “u bevindt zich op verboden terrein.”
“Verboden terrein?” antwoordde ik verontwaardigd, “besodemieter jezelf. Dit perceel is van mij. Al twintig jaar!”
De Zborghiaan glimlachte. “Onzin,” zei hij, “deze planeet is van prins Zbha-geg’h. Die heeft hem ontdekt. En u begaat een misdaad door hier te zijn. Ik wil dat door de vingers zien, maar dan moet u nu met me meegaan.”
Ik liet me moedeloos door hem naar de straat begeleiden. “Sorry dat ik besta,” zei ik, “dat is toch geen misdaad?”
“Laten we niet op de zaken vooruitlopen,” zei de Zborghiaan, “dat voorstel ligt nog bij de Raad.”

Een bijzonder stukje, Gijs. Klein puntje: je schrijft de ene keer zborgiaan en de andere keer zhborgiaan. Ik zou het trouwens met een hoofdletter schrijven. Hartje voor de originaliteit.
@Ewald, dankjewel.
Kleine puntje hersteld en je suggestie overgenomen.