‘Zaak b120.21.1, Minnovaties versus Appel’
De rechter sprak het zakelijk. Voor hem zaten twee mannen, elk achter een eigen eikenhouten tafel, met enkele stapels papier voor hen. Dat zullen ook ooit een aantal eikenbomen zijn geweest, wat een verspilling.
‘Mijnheer Diederik van Eigenbelangh, is uw client ook aanwezig in de zaal?’
‘Jazeker, edelachtbare. Hem wordt een groot financieel onrecht aangedaan’
De advocaat draaide langzaam zijn hoofd en knikte richting een man die twee rijen achter hem zat. Het was een wanstaltige, gedrongen man met een pokdalig gezicht. Zijn kleding was duur, maar leek niet goed te passen. Hij had vies vet haar en voor zijn rechteroog glinsterde een monocle.
‘Oh nee,’ sprak de advocaat achter de andere tafel, ‘…de patenttrol!’


Deze wel twee keer moeten lezen,zit knap ik elkaar.
Eh… Frank, deze begrijp ik niet.
Hi Jacqueline,
In dit verhaal is de patenttrol (zoals bedrijven genoemd worden die zelf geen producten/diensten leveren, maar puur door middel van rechtszaken over aangekochte patenten geld ‘verdienen’ ) niet een organisatie, maar daadwerkelijk een trol…
‘Monocle’ brengt bij mij -geloof ik- enkel maar moeilijke verhalen naar boven 😉
@FrankL:laat ik van dit stukje nu net de patenttrol à la minute hebben gesnapt. Rare zin, wel. Net als eerder mijn reactie: zit knap ik elkaar. (ik=in)
In mijn ogen doet een monocle ook geen goed. Wellicht te kortzichtig daarvoor?
Tja Levja, van een monocle ga ik scheel kijken, dat doet me inderdaad ook geen goed; Ik krijg er hoofdpijn van.
mooi woord, patenttrol