Het is donker in de kamer, wat kaarsen en wat schrale lampjes. Zelfs de Grand Marnier geeft zijn kleur niet prijs. Ik rook, ik rook altijd, ik rook teveel. Ik heb altijd gerookt, kreeg het met de paplepel ingegoten, ik rook me dood. In de kamer aan de voorkant, met de kleine hal ertussen, ligt mijn zoon in dromenland. Ik heb hem net gehaald, een paar uurtjes terug. Hij moet nog steeds een knuffel en een nachtzoen, anders kan hij niet slapen. We zeggen, “ik hou van jou,” tegen elkaar. Hij is bang dat ik dood ga. ‘T is laat, ik ga naar bed. Ik neem nog één sigaret, en die borrel die daar staat. De laatste. Voor vandaag dan.

Ik rook te veel. (Van elkaar?)
Twee maal ‘altijd’?
Inderdaad Nele, te veel moet het zijn. Maar die twee keer altijd is bewust, t ene zegt iets anders dan het andere namelijk.