Ik noemde ze altijd roodborstjes.
Zo spreek ik nog steeds over koolmeesjes, pimpelmeesjes en winterkoninkjes.
Wel heb ik het over merels, eksters en kraaien.
Misschien ook weer iets voor een man; de overtuiging dat formaat er toe doet.
Roodborstjes dus, tot die lenteavond met roodgekleurde ondergaande zon.
Vanuit de top van een berkenboom klonk gezang. Sierlijk en melodieus. Hard ook, getuigend van grote longinhoud.
Het kostte geen inspanning de zanger te ontdekken. Die had zich zodanig op een van de bovenste takken van de berk geposteerd dat het rode zonlicht als een warme gloed door de kleur van zijn borst werd weerkaatst op een manier die de omvang daarvan vele malen leek te doen toenemen.
Een echte vent, die roodborst.

Je deed me glimlachen, Han! <3
Wat een prachtig beeld: de weerkaatsing van het rode zonlicht.
En de stoere slotzin. Hartje!
Dag Marlies,
Da’s mooi. Een glimlach per 120 woorden vind ik een riante vergoeding 🙂
Dag Nel,
Dank je.
Typisch een stuk voor echte kerels. Leuk! Ik hoop dat je zo’n <3 niet iets voor vrouwen of onechte mannen vindt, want ik ga je er écht een geven.
Dag Harrij,
Dank je. Zo’n hartje moet kunnen 🙂
Han, vanmorgen zag ik een “roodborst” in mijn tuin. De zon scheen en ik moest denken aan dit stukje. Knap, dat je ais schrijver een beeld zo creëert, dat het blijvend is.