“Je zei?”
Ik denk na. Wat droomde ik ook alweer?
“We waren aan het rijden, geloof ik. Marleen en ik.”
“Of … nee. Nee, Marleen en Daniëlle!”
“Hopelijk voor Marleen reed zij!” roept Tom lachend.
Ik lach ook, ongeveer.
Er klopt iets niet.
“Weet je nog? In de stad?” zegt Tom, en hij lacht harder.
Ik niet meer.
Droomde ik het wel?
In mijn droom kijk ik door Marleen’s ogen en zie afwisselend Daniëlle en de weg.
Daniëlle schreeuwt tegen me en ik zie Marleen’s hand slaan naar Daniëlle.
Dan slipt de auto en de weg draait om ons heen.
In een flits zie ik mezelf naast Tom staan.
De auto slaat hard in op ons en ik zie niets meer.

Recente reacties