‘Maître, vind als de sodemieter rode rozen. En wil jij, mijn tafeldame, je over de wijnkaart buigen?’
‘Dat doe ik graag, mijn generaal, alleen waarom liggen hier mensen voor de deur over wie ik heen moest stappen?’
‘Ach, dat is wrakhout, die liggen dood te gaan, pijnig je blonde hoofdje niet. De chef brengt ons straks een exquise maaltijd.’
‘Hoe wilt u dat ik eet, ze staren me aan en kunnen nog net kwijlen.’
‘Ik moet een paar orders geven, even geduld.’
‘Mijn generaal?’
‘Mmm.’
‘Ik wil dat u uw orders intrekt. Er is geen sprake van dat u de mensen voor de deur laat wegschieten. En die nachtelijke charge gaat ook niet door. Waarom glimlacht u?’
‘Je bent bijzonder.’

Wie al niet bijzonder is… Het leven is een en al relativiteit. Hoe gruwelijk ook, van mij krijg je een bizar glimlachend hartje.
Luguber.