Ontsproten tussen heg en kreupelhout, zette hij koers naar het zonlicht. Terwijl seizoenen verstreken, won de stam aan hoogte en maakte het breekbare jonge hout plaats voor ruwe schors. In de vierde lente zwollen er knoppen en tere bloesem verscheen. De ijsheiligen overwonnen, veranderde bloem in prille vrucht. Geplaagd door de krachten der natuur, vorderde de ontwikkeling gestaag. In september hing daar een gebloste appel, volmaakt glimmend en klaar om geplukt te worden.
Nu ligt de delicatesse op mijn snijplank en doorklieft een scherp mes het zachte vruchtvlees. Ik hak de stukken met mijn keukenmachine, spetters slaan tegen de rand, zoetzuur water loopt in mijn mond. Met roomboter, kaneel en suiker verkracht ik de oogst, resulterend in een overheerlijke appeltaart.


Mooi!
@Karin, prachtig, je ontvoert me altijd naar jouw platteland. Ook fijn je weer te lezen. Op ‘gebloste appel’ werd ik jaloers en van de keukenmachine werd ik gek. Eerst klieven, dan hakken en dan spetters? Waarom maak je geen ’tarte tatin’? Soepeltjes uit de pols met bijna intacte appels? Met één appel maak je trouwens geen appeltaart. Een hartje voor je heerlijke beschrijving.
@ Hanny, dank!
@ Mili, dank. Ik hing de Bourgondiër uit aan de Spaanse zuidkust. Nu weer ‘back to reality’. Het leven is soms hard, zelfs voor een appel 🙂
Wat kun je dat mooi, ik heb al eerder zo’n prachtig stukje van je gelezen. Knap gedaan.
Mooi beschreven Karin, een <3 van mij.
Jij doet het weekthema alle eer aan die het verdient. Niemand zal kunnen beweren dat die appel er met de haren bij gesleept is. Mooi gedaan!
<3
Dank jullie wel Irma, Bart en Hay!