Met een andere voornaam, bijvoorbeeld Goodluck, zou de naam het beeld kunnen oproepen van een Nigeriaanse pingelaar. (Toegegeven: dan moet er ook iets gebeuren met de klemtonen in de achternaam.)
Maar Dick was geen balvirtuoos. Hij was een stormram, houterig, met kopkracht. Hij had het patent op wilskracht, was eigenaar van een flegmatiek uitdagend porem dat alles leek te relativeren. Hij had schijt aan klemtonen.
Hij was de man van de tweede helft. Als alle ballen naar voren gepompt werden, naar het oorlogsgebied dat zestien meter heet, stond daar standvastigheid.
Dat maakte hem de enige Nederlandse speler die in de finale van een wereldkampioenschap een reguliere goal scoorde.
Dick scoorde punten, zette streepjes, gaf hoop.
Bedankt, Lange. Voor die verlenging.

Ik heb het idee dat het nieuws voor velen onopgemerkt blijft. Wie kent nog Dick Nanninga? Dit is toch een soort eerbetoon. Mooi. En bedankt.
Het is ook mÃjn geboortejaar, dus natuurlijk ken ik Dick.
Een mooi rechttoe-rechtaan-stukje over een rechttoe-rechtaan-iemand. ‘Niet lulle, maar balle,’ had zijn motto kunnen zijn, al geloof ik dat ik nu een andere voetballer citeer. Helaas weet ik niet meer welke…
<3
Ik voetbal niet echt, maar toch ‘Bedankt, Lange’.
Een mooi eerbetoon. Eigenaar zijn van een flegmatiek uitdagend porem ook. <3
Mooi eerbetoon.
Beste Han,
Afgaande op de tv-beelden van het spel van Nanninga is je omschrijving van man en karakter correct.
Zelf ben ik meer van wielrennen dan van voetbal, al ben ik in het jeugdelftal waarin als 10-jarige meedribbelde vaak letterlijk met het bloed in mijn sokken van het veld gekomen.
En natuurlijk altijd vliegende keep op straat.
Met vriendelijke groet plus <3,
Chris
Dag bart,
Dit is inderdaad bedoeld als eerbetoon.
Voetballers van het type Neeskens, Van Tiggelen en Nanninga, daar heb ik respect voor.
Dag Hay,
Dank je.
‘Niet lulle, maar balle.’ Klinkt als iemand van ADO.
Dag luus,
Dank je.
Dag Inge,
Dank je.
Dag Chris,
Dank je.
Ik ga af op mijn herinnering. (Da’s geen onverdeeld genoegen, want dat herbergt meteen het besef dat de jaren beginnen te tellen. Want, zoals bart al opmerkte: ‘Wie kent nog Dick Nanninga?’)