‘Mmmm, het ruikt heerlijk.’
‘Dank je. Eet smakelijk.’
‘Wat zit je dwars?’
‘Hoezo?’
‘Je staart. Als je dat doet, is er iets aan de hand.’
‘Ik was al bang dat je het zou merken.’
‘Zeg het dan gewoon.’
‘Niet nu. Ik wil deze maaltijd niet bederven.’
‘Dat doe je alleen als je geen antwoord geeft.’
‘Je hebt gelijk. Maar het gaat pijn doen.’
‘Dan delen we die pijn.’
‘Hoorde je onderweg het nieuws?’
‘Nee, ik luister niet meer. Wat zeiden ze?’
‘De dijken houden het niet lang meer.’
‘Waar kunnen we heen?’
‘Naar mijn oma in Maastricht.’
‘Wanneer?’
‘Meteen na het eten. Misschien komen we er nog door.’
‘Goed. Maar eerst haal ik de laatste fles wijn uit de kelder.’


Ik ben een treuzelaar. Zeven minuten te laat. 😉
En toch staat hij nog in het lijstje voor de wedstrijd, Hay.
Je personages reageren wel erg koel op het naderend onheil, valt mij op.
@Hekate
Dat is het probleem met pure dialoog. Men zegt wel eens dat het grootste deel van de menselijke communicatie in het nonverbale zit; in je intonatie, houding, blik en gebaren. En daar kun je in de dialoog zelf maar een stukje van laten blijken. De gebaren, blikken en zo moet je er nu zelf bij denken en dat doet iedereen anders.