Jan Ulrich merkte dat hij hard kon fietsen.
Op een dag kon Jan niet harder.
Maar de andere fietsers wel.
Ze speelden vals.
En namen doping.
Jan besloot ook vals te gaan spelen.
Opeens kon Jan nog harder dan hard.
Maar op een dag werd ontdekt wat Jan en zijn collega’s deden.
Ze speelden vals.
Maar Jan was koppig.
En zei niets.
Jan kijkt naar zijn fiets.
Die hangt in de wilgen.
Al jaren.
Roerloos, onbewogen en onverschillig.
Jan hakt de wilg om.
De fiets breekt.
Jan slikt een brok in zijn keel weg.
Droogt zijn tranen.
Jan heeft het uitgemaakt.
Met zijn enige liefde.
Maar zoals het meestal in de liefde gaat:
‘Het was te weinig en te laat.’


Goed geschreven. Leuk, leest in het begin als een kinderverhaaltje.
‘Het hangt in de wilgen.’ > Je kan niet met ‘het’ naar fiets verwijzen, zou bijv ‘Die hangt…’ kunnen zijn.
@Inge Dank je wel. 🙂
@DeFrysk Een goed gedicht