Mist daalt neer over het meer, een kerkklok slaat het uur en terwijl iedereen slaapt, loopt Esmeralda Visser het water in.
In de dorpsherberg is het nog altijd een drukte van belang. Jan Visser heeft het hoogste woord: ‘Jongens! Deze man heet Jan, en hij kan er wat van!’
Iedereen lacht. ‘O, ja? Wat kan je dan?’
‘Vissen zonder hengel. Ik roép ze uit het meer!’
“Dat moeten we zien!” roept de meute en even later staan ze te schreeuwen aan de waterkant.
Esmeralda is aangekomen op de bodem van het meer en ze merkt dat ze nog leeft: ze ziet vissen en kan met ze praten. ’Niet naar mijn vader luisteren hoor!’ waarschuwt Esmeralda hen. ‘Hij wil jullie vermoorden!’

@Berio, lijkt wel een sprookje…
Niet iedereen slaapt. Misschien kun je op een andere manier de nacht illustreren?
Verder vind ik het mooi.
Dank je Desiree en Loesekoesje voor jullie commentaar. Het is inderdaad een soort sprookje. Maar Lousekoesje: Het stukje heeft 2 bedrijven/locaties. 1: aan de waterkant, waar iedereen slaapt, 2: in het café, ergens in de buurt van het meer waar niemand slaapt. Dus inderdaad niet iedereen slaapt,maar zo heb ik dat ook bedoeld. Niemand heeft wat aan een leeg café. Een café moet vol zijn, en dan contrasteert dat mooi met de stilte bij het meer. (Totdat ze gaan schreeuwen).
Goed uitgelegd, dank je.