De keuken gaf een desolate aanblik. Het aanrecht leek een slachtveld van onverwerkte ingrediënten: bakblik, beslag, kaneel, boter, rozijnen op water.
De vrouw ernaast snikte. Het was een continue vloed van tranen, waaraan geen einde kwam. Zo zat ze al vanaf vanmiddag. Het was nu laat in de avond. Door het keukenraam scheen het lantarenpaallicht.
Vanmiddag startte ze met de bereiding van appeltaart. Haar man was er zo dol op. Tot ze ontdekte dat ze de goudrenetten was vergeten. Hij moest toch naar het dorp. Sigaretten halen. Hij zou appels meenemen.
Sindsdien taal noch teken. Ze wist het opeens zeker. Hij was ervandoor. Haar inferno van verdriet hield aan. Het culinaire stilleven sprak boekdelen.
De rozijnen waren gereed. Zinloos geweld.

Sigaretten maken meer kapot dan appeltaart
Hoe het ene cliché het andere inhaalt.