De oude slaapzaal gevuld met stapelbedden was leeg, op het achterste bed na. Hij lag boven, zij onder.
Het bed stond tegen een oud boerderij klapraampje aangeschoven en omdat geen van beide wilde slapen, zaten ze een jointje te roken. Hij boven, zij onder.
Ze maakten grappen en zij keek flirterig wispelturig in zijn blauwgrijze ogen. Hij boven, zij onder.
Het was wat kil, en allebei hulden ze hun lijven in de oude paardendekens die op de bedden lagen. Het werd laat, ze gingen liggen. Hij boven, zij onder.
Ondanks dat ze zo dichtbij waren, zat er een halve meter tussen. Langzaam en met geveinsde nonchalance liet hij zijn hand uit het bed bungelen. En zo werd boven langzaam onder.

Ik vind de herhaling die je gebruikt heel krachtig.