‘Hier staan boontjes, ginder de piepers. Daar de kolen, zie je hoe groot? Kijk, dit gebruik ik tegen wurmen.’ Ze toonde een giftig goedje en deed de behandeling omstandig voor.
Ik knikte.
Mocht ik me verbeelden dat ik van tuinieren wist dan kwam ik hier tot inkeer. Dus liep ik zwijgend mee. Mompelde over groeizaam weer. Zei niet wat ik dacht van vergif. Op een aanstaande schoonmoeder maak je liever geen ongunstige indruk.
Halverwege het tuinpad wilde ik iets aardigs zeggen en wees: ‘Die bonen staan er mooi bij.’
Ze stopte om me vol minachting aan te kijken. ‘Dat zijn de piepers.’
Dit kon ik niet meer goedmaken.
Pas bij nederige erkenning van stadse domheid accepteerde ze mijn onnozele inborst.


Ach, arm wurm dat je er bent. O, maar wacht daar heeft schoonmoeder een goed middeltje tegen. 😉
Leuk geschreven. Ik voel helemaal mee in de onbenulligheid. Ik zou het zelf gezegd kunnen hebben.
Pijnlijk herkenbaar.