Net in Oost-Brabant wonend op mijn veertiende, fietste me een jongen achterop.
Ik voelde me zeer vereerd. Meteen al een knappe dorpeling aan de haak, sjonge.
-Hoevienutier? Razendsnel uitgesproken.
Tja, nou, dat verstond ik niet.
Ik keek hem aan en haalde de schouders op.
Hij probeerde wat anders.
-One eland bij… pruttelpruttelpruttel
Eland? vroeg ik niet-begrijpend. Waar?
-De eland van… prutttelpruttel.
Mijn ogen werden almaar groter.
Hij keek me aan met een blik van belazer-je-grootje.
-Howdo… en sloeg rechtsaf.
Wat zeg je? vroeg ik ook nog.


Waarom gaat iedereen er toch maar van uit dat je dialecten verstaat?
Troost je, in het volgende deel komt de vertaling.
Soms in een boze bui roep ik wel eens dat alle dialect een soort spraakgebrek is. Maar in milde stemming vind ik dat eigenlijk alleen van Limburgs.
Maar jammer dat de ontknoping niet geplaatst is.
Overigens heb ik dialecten leren waarderen. Alleen thuis, onder elkaar.