Meneer Chiang betaalt voldoende. Hij zegt dat hij goed voor ons zorgt.
“Als je maar wat harder zou werken,” zucht hij alleen vaak. Ik probeer te doen wat hij wil, maar ik kan niet harder. Ik ben vaak zo moe.
“Ik geef je anders genoeg te eten,” roept hij, “jij bent gewoon lui.”
Soms huil ik, maar ik wil niet dat meneer Chiang dat ziet. Dan wordt hij verdrietig. Of boos. Ik probeer niet lui te zijn, maar goed. Dan is hij dat ook voor mij.
“Als je zondag op tijd klaar bent, mag je naar buiten,” belooft hij me.
Ik ben blij als hij dat zegt. Ik hoop dat het niet regent. Dan kan ik voetballen. Of naar mama.

Recente reacties