Ik sta aan mijn vaders graf.
Zondags had hij altijd een ander luchtje. Als kind, weet ik dat aan God.
Echter, zijn werk op een olieraffinaderij bepaalde zijn geur op werkdagen. Zijn met stijfsel gestreken overhemden, met de scherpe geur van Wilhelmina pepermunt, de geur van zondag.
Dat luchtje was vertrouwd.
Evenals zijn zware stem, die dagelijks begon met een psalm en waarmee hij in gezwollen taal preekte van de genade Gods en onze zondige staat.
Ik snapte de woorden niet en voelde me helemaal geen zondaar.
Beiden overigens nog steeds niet.
Ik leg een pepermuntje op het graf naast de steentjes, die er liggen ter herinnering.
En glimlach als de geur van ’t snoepje mijn neus vult.
En vertrek.

Recente reacties