In mijn tuin waren de wormen vrienden en vlinders vloog ik achterna. In mijn tuin liet ik de mieren lopen over mijn hand en tilde ik de stenen op om pissenbedden te bewonderen. De tuin was een plek vol met ontdekkingen, een plek waar ik mezelf kon zijn. Zingend op de schommel, de wind aaide mijn haar. Een tak om zachtjes de prunus in beweging te brengen, bloesem dwarrelt langs me heen. De walnotenboom als een trouwe vriend, met mijn rug tegen zijn stam, hier is rust.
Klein meisje in de grote tuin. Hier was mijn plek, hier was ik mezelf.
Totdat het huis zijn serredeuren opende, mij naar zich toegreep.
Dan verdreef het alles, was ik niet meer vrij.


Prachtige tuin; het huis klinkt triest.
mooi. herinnerend.
Opgeslokt door de façade…..