De lauwe geur van regen steeg op van de keien.
Ze probeerde niet uit te glijden, haar hakken niet te laten steken tussen richels van de kinderkopjes keien.
Het rennen voelde onwerkelijk, als in een droom, waarin je superkrachten naar boven komen, ineens kun je vliegen!
Hoe kon ze opeens zo hard rennen op hakken, zonder dat ze fataal bleef steken ergens tussen steen en aarde?
Gedachten zoals deze gingen vluchtig in rook op.
Vanuit volle snelheid bleef ze stokstijf staan.
Het huis van de schrijver… Haar toevluchtsoord stond in lichterlaaie!
Vlammen graaiden dansend in de donkere avondlucht.
Schaduw en vuur vormden het wrede gezicht van Jonas. Een spel van schaduw en licht.
Een vlammende grijns.
Het moest hem zijn!

Van hakken naar brand en nu blijft ze wel steken! Stukje spreekt me aan @ Jessy