In een flauwe bocht verscheen een kerk, ik remde af en stopte op de kleine met gras overgroeide parkeerplaats. Het gebouw was niet echt oud, het stamde uit de negentiende eeuw, de muren leken voornamelijk moe.
“Hier hebben we in 2001 Wavin begraven,” zei ik wat weemoedig tegen Juliet.
Ze staarde me niet begrijpend aan.
“Wavin begraven?” herhaalde ze uitstappend. “Waar?”
“Ik wijs het je aan, op een verre hoek van het kerkhof, daar waar het schelpenpad het grintpad kruist.”
Voor een eenvoudig graf bleef ik staan.
“Lukas Habing,” las Juliet, “7-11-1938, 7-3-2001. Gedragen door de liefde van alle mensen om je heen tot in de armen van de Heer.”
Zwijgend luisterde ik naar haar plechtige voordracht van de inscriptie.

Uit het leven gegrepen. Mooi stukje.
Mooi stukje. Als je een kerk vervangt door de kerk, word de lezer niet op het verkeerde been gezet omtrent het feit dat de verteller de plek wel kent ipv niet.
Wat een lidwoord niet kan doen. Eens met Lijmstok.
Anoniem is Mien ?
Anoniem is Mien
De eerste alinea is een schilderij. ‘De muren leken voornamelijk moe’ vind ik prachtig.
Je roept mooie beelden op, maar ik struikel over een teveel aan bijwoorden (voornamelijk, wat weemoedig, …) en aanvoegende wijs (begrijpend, uitstappend).
Mooi geschreven Joop