Het was winter en Arie had voor de kat zijn kut zijn bloedeigen kind op het spel gezet. De poet zou zijn deel zijn als hij het binkie zou uitlenen aan die bijgoochem van de overkant, om de patiënten te tillen. Zijn jongste kind was de eerste avond al kachel thuis gekomen en stond met bebloede jatjes voor zijn smoel. Hij had tijdens het bedrog in de keel van de kwakzalver gesneden. Het bloed had heftig uit zijn porum gegutst. Hij gaf daarop de geest. Arie had de blaren op zijn tong geluld om de smeris te overtuigen dat hij mesjogge was geweest en het kind ladderzat had gevoerd. De grote gok riek onraad en bracht Arie naar de lik.

Too much. Er zitten nu zoveel bargoense uitdrukkingen in dat het verhaal me deels ontgaat. Zonde.