‘Sjaantje, wijffie van me, nu moet je effe goed luisteren.’
Ik weet meteen hoe laat het is: hij zit weer eens op zwart zaad en dan mag ik voor een geeltje de hoer spelen bij zijn criminele vriendjes.
‘Je kunt mijn rug op, mij kun je niet naaien.’
‘Teringwijf.’
Ik moet wel uitkijken nu, want die linkmiegel heeft me te vaak afgeranseld.
‘Ik heb een veel beter plan: we gaan op karwei.’
‘En mij ervoor laten opdraaien’
‘We gaan samen een klapper maken, maar eerst schenk ik nog even een bakkie pleur voor je in.’
…
‘Nee, ik hoef geen slok. De hele mok is voor jou alleen.’
Zo, die houdt zich voorlopig gedeisd. Ik vertrek.
‘Tot in de pruimentijd, Keessie.’


Goh, gaat het er in dergelijke milieus zo aan toe? Interessant.