De wanhopige man staart ongeduldig naar de kerktoren op het stille plein. Een nieuwsgierige jongen gaat naast hem staan en neemt zijn houding over. Nerveus kijkt de man naar de jongen die antwoordt met een glimlach. De man voelt zich steeds ongemakkelijker. ‘Ik denk dat u hoopt dat hij gauw naar beneden valt.’ ‘Hoe kom je daar nou bij!’ reageert de man verbolgen. ‘Omdat u vorige week elke dag naar boven klom en naar beneden keek in de hoop dat niemand u iets zou verwijten als u zou springen.’ Een koude golf van schaamte overweldigt de man. Hij sluit zijn ogen en hoopt daarmee zijn kalmte te hervinden. Als hij zijn ogen weer opent is de jongen vreemd genoeg verdwenen.

Recente reacties