Beppe woonde in Grouw. In de oorlogsjaren in de steek gelaten door haar man werd ze huishoudster van een Amsterdammer die op de bonnefooi naar Friesland was gekomen om boer te worden. Hij werd onze pake. Beppe nam twee dochters mee het huwelijk in, pake een papegaai. De papegaai maakte het niet lang. Beppe had het beest wat meewarig bekeken, vuil bevonden, en in bad gestopt. Dat was Lorre fataal geworden. Sindsdien stond de kooi leeg op ’t kabinet. Op hoogtijdagen werd er nog weleens een lidcactus in gezet. En hoogtijdagen waren er. Er werd nog een dochter geboren. En een stamhouder. Het kabinet is allang niet meer. Maar de kooi is nu bij mij, met een bloeiende lidcactus erin.

@Gerda Zwart,
Mijns inziens begint het verhaal onverwacht leuk en sterft daarna gelijk met Lorre een pijnlijke dood. Jammer.
Groet, Rolf van der Leest
Precies Rolf, dat noemen ze een begin en einde…? 😉
mooi, de kooi leeft voort als een herinnering