Jan en Josien zwoegen over het stoffige bergpad omhoog. Hun veldflessen zijn allang leeg, maar gelukkig is het dorp niet ver meer. Josien blijft staan. ‘Kijk!’
Een man ligt doodstil langs de kant.
‘Meneer, bent u niet goed?’ vraagt Jan.
‘Dorst,’ zegt de man.
Ze geven hem hun laatste appel.
De man gaat zitten, eet en lijkt iets op te knappen. ‘Bedankt. Waar gaan jullie heen? Het dorp?’
‘Ja,’ zegt Jan.
De man schudt zijn hoofd. ‘Het dorp is verlaten en de put is droog. Ik kom daarvandaan.’
‘Wat nu?’ vraagt Josien.
‘We wachten,’ antwoordt Jan. ‘Misschien komt er iemand langs met water.’
Josien en Jan gaan naast de man zitten.
‘Iemand met water?’ zegt hij, en begint te lachen.


een appel voor drie 😉 <3
Dank je, Hilde. 🙂
Dit is m ….
Leuk, lichtelijk absurdistisch stukje. <3
Volgens mij zou het in de tt beter tot zijn recht komen.
Je hebt helemaal gelijk, Hay. Ik heb het meteen in tt gezet. Veel beter zo.
Dank je, Levja.
zou daar wel water komen, lijkt me fatalistische reactie