Verloren in de wereld voelde hij zich. Waar ligt het geluk? Op straat zocht hij in alle hoeken, in elke goot, langs elke stoep.
Toen hij zich geen raad meer wist, zich te rusten wilde leggen met de dood voor ogen zag hij haar, kwam ze hem tegemoet.
Ze was klein, tenger met een donkere huid. De ogen waren opvallend mooi opgemaakt, haar lippen varen verleidelijk en ze had een donkerbruine wrat vlak onder haar mond aan de rechter kant.
In haar zwarte haar zaten een klein aantal witte.
Haar ogen spraken, haar ogen flirtten, haar ogen verleidden en vingen de zijne.
Voor zo’n blik viel hij als een blok.
“Zie je wel,” dacht Herman, “het zijn niet de borsten.”


Recente reacties